Behoefte aan eenvoud en uniformiteit bij tarieven

Bekostiging van de huisartsenzorg vandaag en morgen
In de bekostiging van de huisartsenzorg vinden in 2024 nieuwe wijzigingen plaats. Welke wijzigingen dat zijn, moet nog worden bepaald. De LHV adviseert de NZa hierin en hoort graag hoe huisartsen denken over de bekostiging. Aan de hand van vijf vragen gaan sprekers (en LHV-beleidsmedewerkers) Ad Vermaas en Marjolein van Harten met deelnemers in gesprek.

Als Van Harten aan de deelnemers in de zaal vraagt wat ze van de huidige bekostiging vinden, blijft het even stil. “Het is een vervelende situatie dat je een contract krijgt van een zorgverzekeraar en dat je dan moet tekenen bij het kruisje, je hebt geen inspraak”, vertelt een huisarts. Is er ook iets positiefs aan de huidige bekostiging? “De combinatie van het inschrijftarief met het consulttarief is wel een goed model”, zegt een andere huisarts.

Het 3-segmentenmodel
De bekostiging van de huisartsenzorg gaat op de schop en dat lijkt hard nodig. Zo zijn de tarieven die in 2015 werden vastgesteld niet meer van deze tijd. Vermaas en Van Harten vertellen aan het begin van de sessie kort over de geschiedenis van de bekostiging. In 2015 kwam het huidige 3-segmentenmodel, waarin alle zaken rondom bekostiging in ‘kolommen’ werden gestopt en de resultaatbeloning nadrukkelijker werd. In 2024 gaat dat weer veranderen. 

In deze sessie krijgen de deelnemers vijf vragen voorgeschoteld die van belang zijn bij de toekomstige bekostiging. Daarmee halen Van Haarten en Vermaas  belangrijke informatie op voor de visie van de LHV op dit onderwerp. 

Tarief lange consulten en indirect gebonden werkzaamheden
De eerste vraag gaat over de lengte van consulten en welke tarieven daarbij horen. De deelnemers geven via de app op hun telefoon hun voorkeur aan. De meeste huisartsen zijn ervoor om vanaf de start van een consult per 5 minuten te declareren. 

Bij de tweede vraag gaat het om werkzaamheden die indirect gebonden zijn aan een patiënt. De zaal geeft met 67 procent meerderheid aan voor het consulttarief te zijn.  “Het consulttarief maakt het heel helder. Alle tijd die ik besteed aan een patiënt zit in dit tarief”, zegt een deelnemer.

Volgens Vermaas laat de uitslag zien dat er verschillend over wordt gedacht. Als er niets verandert, dan moet in elk geval heel duidelijk worden hoeveel tijd iemand aan een patiënt besteed. “Nu is het een black box.” Eén van de deelnemers denkt dat het bijhouden van de tijd aan een patiënt gekoppeld kan worden aan het openen van een dossier. “Als een dossier openstaat, kun je precies zien hoe lang je ermee bezig bent.” 

Nadeel van flexibiliteit
 Meer overeenstemming is er onder de deelnemers wanneer  het gaat over de vaste tarieven en de contracten. Zo wil 60 procent  meer vaste tarieven, zonder contract.. Eén van de deelnemers mist een meerjarig contract voor innovatieve taken. 
“Dat horen we vaker”, zegt Vermaas. “Dat is het nadeel van flexibiliteit. Wil je meer vrijheid om regionaal dingen te regelen, of liever landelijk, wat weer minder goed aan te passen is?”

‘Ik wil niet over zulke zaken hoeven nadenken’ 
De zaal komt los bij de vierde vraag, als het gaat over de huisarts als ‘hoofdaannemer’ en als ‘onderaannemer’. Momenteel is de huisarts ‘hoofdaannemer’ voor de basiszorg en ‘onderaannemer’ voor de ketenzorg. De deelnemers zijn verdeeld over wat zij zouden willen in de toekomst. 

“Ik ben net begonnen, ik wil niet over zulke zaken hoeven nadenken”, zegt één van de deelnemers die vindt dat de zorggroep ‘hoofdaannemer’ kan zijn. “Ik heb ook niet het idee dat ik serieus wordt genomen door een zorgverzekeraar, omdat ik nog maar een kleine praktijk heb. Om over tarieven te onderhandelen is power in numbers nodig.”  

Ook een zorggroep heeft beperkte invloed, stelt een deelnemer. “Ook zij zijn beperkt om voor ons te onderhandelen. En het drukt ze in de rol van controleur en daar willen ze juist van af. Het zou op een niveau hoger moeten, boven de zorggroep.” Een andere deelnemer wenst dat alle financiering uniform wordt. “Zodat we de discussie niet in de spreekkamer hoeven te hebben. Je zou alle financiering gelijk moeten trekken, van Groningen tot Maastricht. Dat is eerlijk.” 

Vermaas vraagt zich af of de NZa alles moet regelen. Moet er een landelijk tarief komen? Dan is er minder flexibiliteit. “Toen we het 15 jaar geleden hierover hadden, wilde iedereen regionaal. Nu gaat dat de andere kant op, omdat het heel lastig blijkt om regionaal afspraken met verzekeraars te maken.” 

‘Hoe eenvoudiger, hoe beter’
Tot slot gaat het gesprek over hoe de vergoeding voor de personele kosten betaald moet worden. Een meerderheid van 57 procent is ervoor om een gemiddelde vergoeding voor doktersassistenten in basistarieven vast te stellen en voor de rest een module per functie. 

Vermaas: “De vergoeding die je in een tarief stopt, heeft bij een gemiddelde het nadeel dat dat in de praktijk niet kan kloppen. Als je het modulair regelt is er meer nodig, je moet vaker aanpassen, maar het kan ook meer opleveren.” Eén van de deelnemers is voor basistarieven voor al het personeel. “Het zorgt voor eenvoud en rust. Hoe eenvoudiger, hoe beter.” 
Vermaas: “We merken dat heel veel mensen worstelen met declareren. Het moet simpeler, maar de consequentie is dat het dan minder goed aansluit op de praktijk.” Het nadeel van dit bekostigingssysteem is dat je steeds vijf jaar moet wachten voor een nieuw kostenonderzoek, waardoor de tarieven al snel niet meer aansluiten.

De discussie is nog niet ten einde. De LHV houdt enquêtes onder de achterban en het komende half jaar zullen er nog verschillende discussies volgen, onder meer tijdens de regionale LHV-bijeenkomsten. Zo willen we tot een goed advies komen aan de NZa en hopelijk tot een nieuwe bekostiging voor 2024.

 

Voeg toe aan selectie