column Hanna Bervoets

Deurknop

In de wachtkamer van mijn huisarts hangt een schema dat wel wat op de schijf van vijf lijkt. In een kleurig taartdiagram staat aangegeven hoeveel tijd de artsen per patiënt te besteden hebben.

Voor ‘Klachtenpresentatie’ staat anderhalve minuut, en twee minuten extra wanneer de patiënt breedsprakig is. Voor ‘Anamnese’ staat twee en een halve minuut, tenzij de patiënt agressief of ontevreden is. ‘Lichamelijk onderzoek’: twee minuten, een extra minuut wanneer het een kind betreft, ‘Beleid’: drie minuten, gevolgd door ‘Huisartseninformatiesysteem invoeren’ en ‘Handen wassen’: zo heeft de arts tien minuten per consult in totaal, mits dus alles goed gaat.

Ik heb me vaak afgevraagd waarom dat schema in de wachtkamer hangt. Het zou een subtiele hint kunnen zijn, iets waarmee de praktijk fluistert: hé, als jij wilt opschieten, dan mag dat. Net zo goed zou het een stil protest kunnen wezen. Dit is de onzin die we krijgen opgedragen van de verzekeraar, vertelt dat strikte diagram dan, maar daar luisteren we natuurlijk niet naar. Nee, bij mijn huisarts staat niemand binnen tien minuten weer buiten. Iedereen in de wachtkamer weet dat, we hebben een boek bij ons, of een telefoonlader. Zelf heb ik, met mijn complexe ziektegeschiedenis, uren in de wachtkamer van mijn huisarts doorgebracht, en, nog belangrijker, uren in haar spreekkamer gezeten. Daarvoor ben ik oneindig dankbaar, dankzij mijn huisarts leef ik het leven dat ik nu leef, en dat is een goed leven.

Toen ik laatst weer in die wachtkamer zat, ontdekte ik iets nieuws aan het diagram. Daar, in her roodgekleurde vak, zag ik een woord staan dat me nog niet eerder opgevallen was. ‘Deurknopfenomeen’, stond daar.
Even dacht ik dat het om een komische verwijzing naar de immer klemmende deur van de spreekkamer ging, maar nee, het deurknopfenomeen is universeel, ontdekte ik toen ik het googelde. Wanneer het consult tegen z’n einde loopt, de patiënt de arts de hand geschud heeft, blijft de patiënt vaak nog even bij de deur staan, om vervolgens een heel nieuw onderwerp aan te snijden, misschien is het iets waar hij zich voor schaamt, misschien iets wat hij eerder vergat – het neemt, volgens het diagram, zomaar twee minuten extra in beslag.

Even voelde ik me betrapt. Want plots zag ik mezelf in de spreekkamer staan, maand na maand, deurknop in de hand: ‘Oh ja’, hoorde ik mezelf zeggen: ‘Ik ga ook nog op vakantie en maak me zorgen over de faciliteiten daar’ of: ‘Wist u dat er dit weekend een congres over chronische pijn georganiseerd wordt?’
‘Ah’, had mijn huisarts die keren misschien gedacht: ‘Daar hebben we het deurknopfenomeen’.
Ja, ik schaamde me bij de realisatie dat ik, zonder het te weten, regelmatig clichéhandelingen verrichtte. En zo kwam er een barstje in het beeld dat ik had van de band tussen mij en mijn huisarts, een beetje als wanneer een goede vriend plots uitspreekt hoe leuk hij het vindt dat je altijd zo schaamteloos uitgezakt bij hem op de bank zit: door dat de benoemen verliest het gedrag zijn spontaniteit, ontspannen argeloosheid maakt plaats voor zelfbewustzijn en in de weken na mijn kennismaking met het deurknopfenomeen probeerde ik de spreekkamer van mijn huisarts na elk consult zo kordaat mogelijk te verlaten.
Maar: waarom eigenlijk?

Misschien omdat ik mezelf plots door de ogen van mijn arts zag. Mijn standaardhandeling zou haar misschien aan het protocol herinneren, het diagram in de wachtkamer dat mij tot tijdverspiller reduceerde. Misschien wilde ik me ook gewoon van andere patiënten onderscheiden, slimmer lijken. Bij mijn laatste bezoek bleef ik echter toch weer bij de deur staan. Ik kon het niet laten, ik moest nog iets over die plek op mijn rib vragen: mijn arts antwoordde geduldig, we stonden daar veel langer dan twee minuten te praten.
Natuurlijk kende zij het protocol. Maar ze durfde er vanaf te wijken.

En eigenlijk, dacht ik toen ik aantal weken geleden weer in de wachtkamer zat, getuigt het ophangen van dat consultprotocol van een even dappere als ontroerende hang naar transparantie. Een beetje als een goochelaar die de werking van zijn trucs alvast deelt in de theaterfoyer. Alleen een heel zelfverzekerde artiest doet dat, een artiest die zijn publiek hoog heeft zitten, ofwel: een arts die haar patiënten serieus neemt.

In de band tussen huisarts en patiënt is vertrouwen het vlot waar de relatie op drijft. Dat vlot gaat rotten bij gebrek aan communicatie. Het ophangen, zelfbewust delen van dat consultprotocol is een vorm van communicatie, het vertelt niet per se wat huisartsen willen, eerder zegt het iets over wat andere partijen van huisartsen willen. Zo toont het diagram indirect de beperkingen waar huisartsen mee te maken hebben, zo leest het schema tevens als excuus, een verklaring voor waarom een arts soms misschien haast heeft. Wat, dacht ik toen ik laatst weer naar de afbeelding staarde, als we die kaders en beperkingen van alle beroepsgroepen kenden? Wat als we wisten met welke regeltjes callcenter-medewerkers te maken krijgen, wat de taxichauffeur aan een ritje overhoudt, hoe vroeg het douanepersoneel wel niet opstaat. Waarschijnlijk werd de wereld er een betere plaats door.

En ja, de relatie tussen behandelaar en patiënt is complex, maar als vertrouwen haar vlot is, en gebrek aan communicatie haar houtrot, dan is wederzijds begrip voor elkaars beperkingen niets minder dan rustig vaarwater.

Voeg toe aan selectie